| Myelitis Transversa en het verband
met Multiple
Sclerose Dr. Joanne Lynn, MD Assistant Professor of Neurology, Multiple Sclerosis Center, Ohio State University (lid medische adviescommissie van TMA) Er zijn een aantal redenen waarom het
belangrijk is
dat het verband dat bestaat tussen myelitis transversa en multiple
sclerose besproken wordt, ongeacht of u een persoon bent met myelitis
transversa of een professional in de gezondheidszorg die betrokken is
bij de behandeling van of het onderzoek naar deze ziekte. De eerste reden waarom het belangrijk is dit verband te
kennen is dat mensen met myelitis transversa over het algemeen in
behandeling komen bij neurologen die gespecialiseerd zijn in multiple
sclerose. MS is een veelvoorkomende ontstekingsziekte van het
centraal zenuwstelsel (variabele incidentie 1-100 per 100.000
afhankelijk van de regio), terwijl de incidentie van myelitis
transversa veel lager is. Slechts 1 tot 5 op de 1 miljoen personen per
jaar krijgt de ziekte. De meeste afdelingen neurologie in academische
ziekenhuizen hebben één of meer MS specialisten en deze
artsen
behandelen ook mensen met andere onstekings- of immunologische
stoornissen van het ruggenmerg. Ik ken in de
Verenigde Staten slechts één medische afdeling die
zich in hoofdzaak richt op myelitis transversa en dat is de vrij recent
opgerichte Myelitis Transversa Kliniek van Dr. Kerr. MS specialisten
hebben ervaring met de behandeling van
problemen die samenhangen met ziekten van het ruggenmerg. Daardoor
hebben de medisch specialisten die mensen met myelitis transversa
behandelen, de neiging om deze aandoening te bekijken vanuit een
perspectief dat is gekleurd door de kennis die ze hebben van de
oorzaken en de pathologie van MS.
Dr. Weinshenker (1998) schrijft: "MS is vrijwel zeker
niet een enkelvoudige ziekte maar een verzameling van idiopathische
inflammatoire demyeliniserende ziekten. Syndromen zoals myelitis
transversa kunnen worden beschouwd als monosymptomatische
idiopathische inflammatoire demyeliniserende ziekten en hebben
een gebrekkig gedefinieerd verband met MS." De derde reden waarom het
belangrijk is om u
bewust te zijn van het verband tussen myelitis transversa en MS is dat
een klein aantal mensen met acute myelitis transversa in werkelijkheid
de eerste aanval van MS doormaken. Vanwege deze drie redenen, wil ik kort met u doornemen wat de medische literatuur zegt over het verband tussen acute myelitis transversa en MS. MS is een chronische inflammatoire demyeliniserende
aandoening van het centraal zenuwstelsel waar in de Verenigde Staten
ruim 200.000 mensen aan leiden. De etiologie is nog steeds onbekend,
maar er zijn sterke aanwijzingen
dat MS een auto-immuunziekte is die waarschijnlijk rechtstreeks de
proteïne-componenten van het myeline aanvalt. De pathologie van
de MS
laesie vertoont vele kenmerken van een vertraagde
overgevoeligheidsreactie. Ondanks onderzoek naar 16 bacteriële en
virale ziekteverwekkers, is er nog steeds geen overtuigend verband
aangetoond tussen een ziekteverwekker en MS. (Recent onderzoek richt
zich op
het Humaan herpesvirus 6 en
Chlamydia pneumoniae als mogelijke veroorzakers.) Men schat dat tussen de 40 en 50% van de eerste
aanvallen van MS monosymptomatisch zijn of bestaan uit neurologische
symptomen die veroorzaakt kunnen worden door één enkele
laesie in het
centraal zenuwstelsel. Hoewel aanvallen in het ruggenmerg kenmerkend
zijn voor MS, is het syndroom van een volledige acute myelitis
transversa als eerste symptoom van MS ongebruikelijk. Slechts 0,7% van
een Canadese populatie van MS patiënten hadden als hun eerste
aanval
een acute myelitis transversa (Paty and Ebers, 1998). Doordat myelitis
tranversas
als eerste fase van MS weinig voorkomt, is de medische literatuur er
over
beperkt. Neuritis optica is een van de beste bestudeerde
monosymptomatische syndromen bij MS. Het is de moeite waard om kennis
te nemen van het verband tussen neuritis optica en MS, om te kunnen
bepalen wat van belang kan zijn als het gaat om myelitis transversa en
MS. Neuritis optica is een acute ontsteking van
één of beide
oogzenuwen (meestal slechts één). De manifestatie
varieert van een geringe vervaging van het gezichtsveld of
subtiele verandering in de waarneming van kleur tot algehele blindheid.
De prognose is bijzonder goed en meestal treedt
aanzienlijk herstel van het gezichtsvermogen in binnen een aantal weken
of maanden. Het herstel kan worden versneld door het intraveneus
toedienen van hoge doses corticosteroïden. Het risico op het
ontwikkelen van MS na neuritis optica dat wordt gerapporteerd varieert
sterk in
de diverse onderzoeken, van 13% tot 88%. Het risico lijkt het grootst
in de eerste twee jaar na neuritis optica (ongeveer 20%) en het
percentage stijgt met nog eens 20% voor de
periode van 5 jaar na de ziekte. In verschillende studies werden
tabellen opgesteld waarbij het geschatte risico binnen de
eerste 15 jaar lag tussen de 45 en 80%.
Onderzoek heeft aangetoond dat hersen-MRI's voorspellen welke patiënten met neuritis optica een hoger risico lopen op het ontwikkelen van MS. Zes studies van neuritis optica tonen aan dat patiënten waarbij op de MRI "klinisch stille'' wittestoflaesies zichtbaar zijn, een 4 tot 5 keer hoger risico lopen op het ontwikkelen van MS dan patiënten met een normale hersen MRI ten tijde van de presentatie van neuritis optica (38% tegen 8% gemiddeld).Er bestaan verschillende hypotheses over welk type laesie het sterkst wijst op MS. De University of British Columbia gebruikt de volgende criteria: 1) vier wittestoflaesies, 2) drie wittestoflaesies, waarvan één op een periventriculaire locatie, 3) alle laesies hebben een diameter groter dan 3 mm en zitten voornamelijk in de witte stof. De percentages voor conversie naar MS variëren
afhankelijk van de criteria die worden gebruikt voor de laesies die
worden gebruikt voor de laesies die
zichtbaar zijn op de MRI en van de lengte van de follow-up. De Morrisey
studie heeft de langste follow up, 5.5 jaar gemiddeld, en hier gaat men
uit van de langste periode van conversie naar MS. Het hoge
percentage van 82% dat uit dit onderzoek kwam , geeft aan dat de meeste
neuritis optica patiënten met een abnormale hersen MRI die wijst
op
een verhoogd risico op MS ook daadwerkelijk MS ontwikkelen. Het syndroom van acute myelitis transversa van
veroorzaakt door veel verschillende ziekten: infectieziekten,
auto-immuunziekte, etc. De neuroloog zoekt naar aanwijzingen dat de
myelitis
transversa het gevolg is van één van de bekende oorzaken.
Als deze aanwijzingen er niet zijn, wordt de diagnose idiopathische
myelitis transversa gemaakt. Verschillende artsen hebben verslag gedaan
van hun lange-termijn follow-up van hun persoonlijke patiënten met
myelitis transversa. Ze probeerden zo vast te stellen
hoeveel patiënten MS ontwikkelen en of er kenmerken zijn dan wel
uitslagen uit laboratorium onderzoek ten tijde van de acute aanval die
kunnen voorspelen of een bepaalde patiënt met myelitis transversa
MS
zal ontwikkelen. Het risico op het ontwikkelen van MS is
in de meeste
studies vrij
laag en varieert van 0 tot 36 %. Eén studie geeft het
sterk afwijkende percentage van 80%. Uit deze studies blijkt het
volgende:
CHAMPS Studie - Controlled Trial of High-Risk Subjects in A Multiple Sclerosis Prevention Study Een hersen-MRI kan duidelijk helpen bij het opsporen van een groep patiënten met monosymptomatische demyelinisatie die een groot risico lopen op het uiteindelijk ontwikkelen van MS. De standaardbehandeling voor patiënten met een klinisch vastgestelde terugval van MS. is al enkele jaren het toedienen van interferon bèta of glatirameer acetaat. Van beide geneesmiddelen is aangetoond dat ze de verslechtering van het ziektebeeld met ongeveer éénderde verminderen. Bepaalde waarnemingen wijzen er op dat de momenteel beschikbare interventies werkzamer zijn als ze vroeg in het ziekteverloop worden toegediend. Echter, voor de CHAMPS trial was er geen data
beschikbaar over de behandeling van patenten met een
monosymptomatische presentatie. Deze waarnemingen vormden de aanleiding
voor het organiseren van de CHAMPS trial om te bepalen of de
behandeling van patiënten met monosymptomatische demyelinisatie
voordelige effecten zou hebben op het percentage van conversie naar
klinisch vastgestelde MS en op het daaropvolgende klinische
ziekteverloop Aan de studie deden 383 proefpersonen mee met
monosymptomatische presentaties van MS: optica neuritis, aangetaste
hersenstam en ruggenmerg abnormale hersen-MRI's. Iedere
proefpersoon werd 3 dagen lang behandeld met hoge doses intraveneuze
steroïden gevolgd door het slikken van prednison. Vervolgens werden de proefpersonen willekeurig in twee
groepen verdeeld. Eén groep kreeg een intramusculaire
injectie interferon bèta 1a (193) , en de andere groep
kreeg een
placebo (190). Iedere proefpersoon werd gevolgd via een reeks
onderzoeken
tot aan het einde van de studie of tot ze het einde van de eerste fase
van het ziekteverloop bereikten. Dit punt wordt bereikt als de
patiënt
een tweede klinische aanval van demyelinisatie krijgt die de diagnose
klinisch vastgestelde MS rechtvaardigt. In de studie was een follow-up
gepland van 3 jaar. De resultaten van de studie werden in September 2000
gepubliceerd in New England Journal
of Medicine. De proefpersonen werden als volgt onderverdeeld aan
de hand van de locatie van hun monosymptomatische presentatie:
Het gepubliceerde artikel bericht alleen over de groep
als geheel. Tijdens de studie bestond er een statistisch significant
verschil in demyelinisatie tussen de proefpersonen die werden behandeld
met interferon en de placebo-groep.(p=0.002, Kaplan- Meier Estimates
of
cumulative probability of the development of clinically definite MS).
Voor de groep als geheel lag de cumulative waarschijnlijkheid op het
ontwikkelen van klinisch gediagnostiseerde MS bij 35% in de groep die
werd behandeld met IFN
bèta en bij 50% in de placebogroep. Daarnaast bestond er een significant verschil tussen de
IFN groep en de placebo groep in de accumulatie van T2 laesies
die op T2 gewogen hersen-MRI's geconstateerd werden. Na 18 maanden
follow-up had de IFN groep gemiddeld een toename van 1% in T2
laesievolume, vergeleken met een toename van 16% in de placebogroep.
Tijdens
alle meetpunten (na 6, 12 en 18 maanden) waren er minder nieuwe of via
gadolinium zichtbaar gemaakte laesies bij de IFN groep. Dit is een opzienbarende klinische studie die nieuw
licht werpt op het belang van interventie met immunomodulatorische
geneesmiddelen op een zo vroeg mogelijk moment bij patiënten met
myelitis transversa of ander monosymptomatische presentaties van
demyelinisatie waarbij MRI onderzoek bewijs oplevert van een groot
risico op het ontwikkelen van MS. Deze studie onderbouwt ook het belang
van het afnemen van een hersen-MRI bij patiënten met een
presentatie van
myelitis transversa om te bepalen of er een hoog risico bestaat op het
ontwikkelen van MS en of een vroegtijdige behandeling met interferon
voordelig kan uitwerken. Dit is een beknopt overzicht van bepaalde gebieden van
overlap tussen myeltits transversa en MS. Zoals Dr. Stone heeft
opgemerkt, hebben velen de overtuiging en de hoop dat de studie van MS
kan bijdragen tot meer kennis van de pathologie van myelitis transversa
en uiteindelijk tot een betere behandeling ervan. Deze overlap is in
ieder geval een vruchtbaar onderzoeksveld waaruit meer specifieke
research naar en kennis over myelitis transversa kan ontspruiten. Bronnen Beck RW, Cleary PA, Trobe JD, et al. The effect of corticosteroids for acute optic neuritis on the subsequent development of multiple sclerosis. New Engl J Med 1993;329:1764-1769. Ford B. Tampieri D, Francis G. Long-term follow-up of acute partial transverse myelopathy. Neurology 1992; 42:250. Frederiksen JL, Larsson HBW, Henriksen O, Olesen J. Magnetic resonance imaging of the brain in patients with acute monosymptomatic optic neuritis. Acta Neurol Scand 1989; 80:512-517. Jacobs L, Munschauer FE, Kaba SE. Clinical and magnetic resonance imaging in optic neuritis.Neurology 1991;41:15-19. Jacobs LD, Beck RW, Simon JH, Kinkel RP, Brownscheidle CM, Murray TJ, Simonian NA, Slasor PJ, Sandrock AW, and the CHAMPS Study Group. Intramuscular Interferon beta-1a Therapy initiated during the first demyelinating event in multiple sclerosis. N Engl J Med 2000; 343:898-904. Lipton HL, Teasdale RD. Acute Transverse myelopathy in adults. Arch Neurol 1993; 50:532. Martinelli V, Como G, Filippi M, et al. Paraclinical tests in acute-onset optic neuritis, basal data and results of a short follow up. Acta Neurol Scand 1991:84:231-236. Miller DH, Ormerod IEC, McDonald WI, et al. The early risk of multiple sclerosis after optic neuritis. J Neurol Neurosurg Psychiat 1988; 116:135-146. Morrissey SP, Miller DH, Kendall BE, et al. The significance of brain magnetic resonance imaging abnormalities at presentation with clinically isolated syndromes suggestive of multiple sclerosis. Brain 1993; 116:135-146. Moulin D, Paty DW, and Ebers GC: The predictive value of cerebrospinal fluid electrophoresis in 'possible' multiple sclerosis. Brain 106:809-816,1983 Paty DW and Ebers GC. Multiple Sclerosis. F.A. Davis, Philadelphia, 1998. Scott TF, Bhagavatula K, Snyder PJ, Chieffe C. Transverse myelitis - Comparison with spinal cord presentations of
multiple sclerosis. Neurology 1998; 50:429-433. Weinshenker BG. The Natural History of Multiple Sclerosis: Update 1998. Seminars in Neurology 1998; 18(3):301-307. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Terms of Use | Privacy Policy | Site Map | Contact Us
Copyright © 2009 The Transverse Myelitis Association. All rights reserved.
Document: http://www.myelitis.org/local/nl/mt_en_het_verband_met_ms.htm
Last Modified: Sunday, 18-Apr-2010 16:35:46 MST